Ik zit op een iets te lage kruk aan de bar van een klein noedelrestaurantje waar hoogstens plek is voor tien man.
Om mij heen wordt nauwelijks gesproken. De meeste klanten zijn alleen, getrouwde mannen die na een hectische dag op kantoor liever in alle rust hun krantje lezen dan dat zij terugkeren naar hun vrouw. De enkeling die een collega heeft meegenomen, doet op fluistertoon zijn verhaal. Hoewel ik te ver weg zit om hen goed te verstaan, begrijp ik dat de twee de ramp in Fukushima bespreken — waarover kan het tegenwoordig anders gaan?
Dinsdag drie augustus. Op het ronde tafeltje voor me staat een halfvol glas ijskoffie met een rietje; ernaast ligt een dun romannetje van bedenkelijke kwaliteit. Een kleurrijke boekenlegger met de afbeelding van een geisha op de voorzijde steekt een paar centimeter tussen de bladzijden uit en verraadt dat ik nog tweederde te gaan heb.
Ik zit in een koffiehuis, op de vlucht voor de klamme hitte die de stad in zijn macht houdt. Ver weg klinkt het zachte geluid van een piano die jazzy nummers speelt in een eenvoudige uitvoering. Het instrument komt nauwelijks uit boven het constante geroezemoes van de klanten in de zaak. Achter de glazen ruit naast de ingang razen taxi’s wild over het asfalt en pikken bussen doorweekte passagiers op – sommigen van het zweet, anderen van de hevige regenbuien die onvoorspelbaar komen en gaan. Het regenseizoen heeft haar hoogtepunt bereikt.
Een halve dag vrij in Tōkyō, zoveel te doen. Op zoek naar de rust van Meiji Park, of juist de drukte van het centraal station? Op visite bij de keizer, of de toerist uithangen in Asakusa? Nee, ik wil maar één ding.
——559 meter stalen schoonheid.
Vanaf vliegveld Haneda stap ik op de Keikyū-lijn, die me dwars door de metropool rijdt. Haast is er niet: af en toe raast de trein een perron voorbij, maar meestal stopt hij om passagiers in en uit te laden. Bekende en onbekende stationsnamen wisselen elkaar af. Na vijftig minuten wordt Oshiage omgeroepen. Ik stap uit en manoeuvreer me door een doolhof van ondergrondse gangen richting de uitgang. Daar wacht een spectaculaire verassing.
Het is 33 graden als we ‘s morgens uit de auto stappen voor een korte stop langs de snelweg die de prefecturen Nagasaki en Saga met elkaar verbindt. Het is rustig op de parkeerplaats. Verderop rookt de bestuurder van een witte Honda zijn sigaret op, terwijl een Mitsubishi-rijder hem passeert voor een vlugge maaltijd in het restaurant. Noedels, ongetwijfeld.
Oog voor het fraaie uitzicht over de baai van Ōmura hebben de meesten niet. Het zal een kwestie van gewenning zijn.
Ingeklemd tussen enkele woningen en de kabels die de buurt van stroom voorzien, staat de rechterhelft van een stenen torii van het nabijgelegen Sannō heiligdom. De linkerhelft werd op 9 augustus 1945 verwoest door de atoombom die, nog geen kilometer noordelijker, op Nagasaki viel en een spoor van dood en verderf achterliet.
Een schoolklasje neemt even rust bij de torii om vervolgens koers te zetten richting het vredespark. “Want over drie weken,” vertelt de juffrouw aan haar leerlingen, “worden de slachtoffers van de bom daar herdacht.”